Hoe ik naar organiseren in scholen kijk
- 11 jan
- 3 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 22 jan

Onderwijs laat zich niet vastleggen
Ik vertrek niet vanuit de vraag hoe we het onderwijs kunnen verbeteren, maar vanuit de vraag wat het onderwijs als praktijk nodig heeft om niet beschadigd te raken. Onderwijs is geen technisch proces dat je kunt optimaliseren met steeds betere systemen, maar een menselijke praktijk die draait om professioneel oordeel. Dat oordeel ontstaat niet in schema’s of formats, maar in het handelen zelf, in concrete situaties, met echte leerlingen. Organiseren is daarom nooit neutraal: het kan het oordeel ondersteunen, maar ook langzaam uithollen.
Ik verzet mij tegen vormen van organiseren die succes technisch definiëren en tegelijk verantwoordelijkheid bij professionals neerleggen, terwijl het oordeel vooraf wordt dichtgeregeld. In zulke systemen blijft alles werken, maar verdwijnt betekenis. Docenten voeren uit wat klopt op papier, maar raken hun zeggenschap kwijt over wat hier en nu passend is. Dat leidt niet tot kwaliteit, maar tot schijnsucces: overzicht zonder eigenaarschap, grip zonder richting, rust aan de buitenkant en morele uitputting van binnen.
Mijn inzet is daarom niet maximale grip of volledige voorspelbaarheid, maar het beschermen van de voorwaarden waaronder professioneel oordeel kan bestaan. Dat vraagt om ruimte, tijd en continuïteit, om rolzuiverheid en om besluitvorming dicht bij de praktijk. Leiderschap betekent dan niet alles vastleggen wat kan, maar dragen wat niet oplosbaar is. Soms is terughoudendheid geen zwakte, maar precies het handelen dat recht doet aan goed onderwijs.
Mijn uitgangspunten in mijn werk als schoolleider en adviseur
In mijn werk vertrek ik steeds vanuit dezelfde overtuiging:
goed onderwijs staat of valt met professioneel oordeel.
Wie dat oordeel verwacht, moet de arbeidsorganisatie daarop inrichten.
Dat zie ik niet als een visie of voorkeur, maar als een noodzaak.
Mijn manier van denken:
Onderwijs vraagt oordeel, geen uitvoering
Ik werk in scholen waar professionals dagelijks handelen in situaties die niet vooraf te vangen zijn in regels of protocollen. Leerlingen verschillen, contexten verschillen, spanningen verschillen. Daarom geloof ik niet dat goed onderwijs volledig te standaardiseren is.
Wat nodig is, is professioneel oordeel: het vermogen om hier en nu af te wegen wat passend is. Regels ondersteunen dat oordeel, maar kunnen het niet vervangen. Zonder oordeel resteert uitvoering; met oordeel ontstaat verantwoordelijkheid.
Oordeel bestaat alleen binnen een praktijk
In mijn denken is professioneel oordeel geen individuele eigenschap die iemand ‘meebrengt’. Het ontstaat binnen een praktijk: een samenhangend geheel van werk waarin duidelijk is wat telt als kwaliteit, wat goed onderwijs is en waar professionals elkaar op aanspreken.
In zo’n praktijk staan interne waarden centraal — zoals kwaliteit van leren, rechtvaardig beoordelen en vorming van leerlingen — waarden die niet volledig meetbaar zijn, maar wel richting geven aan handelen.
Organiseren is onvermijdelijk — en niet neutraal
Ik zie dat onderwijspraktijken organisatie nodig hebben: roosters, formatie, taken, overleg en bevoegdheden. Tegelijk zie ik hoe die organisatie andere logica’s meebrengt: efficiëntie, beheersbaarheid, verantwoording en snelheid.
Wanneer deze externe doelen dominant worden, verdwijnt professioneel oordeel niet omdat mensen niet willen, maar omdat het structureel geen ruimte meer krijgt. Besluiten verschuiven dan naar procedures, hiërarchie of individuele improvisatie.
Professioneel oordeel kan niet door individuen worden gedragen
In mijn werk herken ik wat Ben Van der Hilst beschrijft: professioneel oordeel is kwetsbaar onder druk en niet houdbaar als individuele last. Zelfs bekwame en betrokken professionals verliezen hun afwegingsruimte wanneer zij er alleen voor staan, zonder gedeelde verantwoordelijkheid en zonder gezamenlijk normatief kader.
Oordeel vraagt daarom collectieve borging: een vaste groep professionals die samen verantwoordelijkheid draagt voor een afgebakend deel van het onderwijs en het gesprek kan voeren over wat hier telt als goed handelen.
Arbeidsorganisatie als morele voorwaarde
Vanuit deze manier van denken kijk ik naar arbeidsorganisatie. Niet als techniek of efficiëntievraag, maar als morele voorwaarde. De manier waarop tijd, rollen, verantwoordelijkheden en overleg zijn ingericht, bepaalt of professionals daadwerkelijk kunnen oordelen.
Oordeel vraagt tijd, continuïteit, rolhelderheid en ruimte voor gezamenlijk normatief gesprek. Ontbreken die voorwaarden, dan verschraalt het handelen — ook bij goede mensen en met de beste bedoelingen.
Wat dit betekent voor mijn werk
Deze uitgangspunten bepalen hoe ik werk als schoolleider en adviseur. Ik begin niet bij structuren, teams of modellen, maar bij de vraag of de organisatie professioneel oordeel mogelijk maakt of juist onder druk zet. Pas daarna volgt de vraag naar concrete inrichting.
Een open uitnodiging
Ik verwacht niet dat iedereen deze manier van denken meteen deelt.
Maar ik nodig schoolleiders wel uit om zichzelf deze vraag te stellen:
maakt onze manier van organiseren professioneel oordeel mogelijk —
of drukken we het langzaam weg?
Dat gesprek ga ik graag aan.



Opmerkingen